Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DETOORLOG.
om met de muzijk mijn brood te verdienen. Dus zijt gij
allhans van de zorge voor mijn onderbond ontslagen ; en ,
gelukt bet mij, dat ik wat overgare, zoo kome ik terug
om hetzelve met u te deelen."
» Daar mijne moeder hierop niets antwoordde, maakte ik
mij reisvaardig , verzocht onze gastvrouw om eenig brood ,
riep den hond, en wilde op den togt. Mijne moeder nu
ziende, dat het mij ernst was, wilde mij niet laten ver-
trekken , maar beval en verzocht, ja bad mij te blijven»
Gelukkiglijk was er juiijt? een oude buurman bij tegenwoor-
dig > dien de soldaten mede deerlijk beroofd hadden , deze
trok mijne party, zeggende: »Laat hem trekken, moeder-
tje ! menig braaf en welgezeten man is op dien voet be-
gonnen i Gwl zal hem bewaren." En daar ik vast bij mijn
voornemen bleef, zeide zij eindelijk^ bitterlijk schreijende:
»Nu ga dan in Godd naam! Ik zal voor u bidden, dat
u geen onheil bejegene, en dat gij braaf blijft.""
» Toen omhelsde ik haar en spoedde mij weg; en schoon
er reeds twee maanden sedert mijn vertrek verloopen zijn,
is mij nog niets kwaads bejegend. Integendeel heb ik
reeds, eenig geld overgespaard, en zoodra ik nog iets meer
heb, keer ik weder naar den Ryn terug, om mijne moe-
der, die nu over mijn afzijn treurt, te verheugen."
Bij dit einde van zijn verhaal trok het knaapje een
klein geldzakje voor den dag, dat hij met genoegen tus-
sclien de handen drukte. Al de omstanders gaven blijken
van hunne milddadigheid , en Uefdkoosden en prezen den
braven jongen. Toen trad ouder de menigte een bejaard,
vrij vermogend man , die. izijne kinderen verloren had ,
voor den dag, en, den knaap bij de hand vattende, vraagde
hij hem met hartelijkheid: »wilt gij met mij gaan?" -
Het