Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE OORLOG. i29
in vroeger dagen van mijn' vader eenige weldaden genoten
had. Deze drong mijne moeder, om mede naar hare hut te
gaan. »Alles, wat ik heb," sprak zij, »zal ik met u
lieden deelen."
»Den volgenden dag begroef men mijnen vader, en de
predikant sprak eene korte lijkrede uit, waarin hij, onder
anderen, zeide: dat mijn vader nu in den hemel was;
want hij had God gevreesd en lief gehad. — En hierin
sprak hij zekerlijk de waarheid, want mijn vader was
een vroom man , die gaarne alle menschen goed deed."
»Na het eindigen der begrafenis, bleef ik alleen op het
kerkhof, ging op het graf zitten , en riep , dan eens wee-
nende, mijnen vader bij zijnen naam, dan eens bad ik,
en vatte het voornemen op , om ook zoo braaf te worden
als hij geweest was. Zoo zat ik een' geruimen tijd op het
graf, zonder mij van daar te kunnen verwijderen. Onze
houd lag nevens mij, en zag mij nu en dan treurig aan.
Dit gezigt deed mij te meer weenen, daar ik bedacht, hoe-
veel werks mijn vader van dit getrouwe dier gemaakt had,"
Dit zeggende legde het knaapje zijn aangezigt op den kop
van den hond , denzelven vast daartegen aandrukkende.
Daarna vervolgde hij :
»Mijne moeder had eene langdurige ziekte, en wij leef-
den zeer bekrompen. Onze brave gastvrouw bezat slechts
weinig , en mijne moeder kon er niets bij verdienen."
»Toen ik nu opmerkte, dat zij steeds bedroefd was en
zich daarover kwelde, dat wij die arme vrouw tot een'
last waren, sprak ik tot haar: Lieve moeder! het bedroett
u zoo, dat wij niets bezitten en niets verdienen kunnen.
Maar zijt toch goedsmoeds! Kan ik niet op de fluit spelen
en allerlei liederen zingen? Ik wil mij op reis begeven,
B om