Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
j6
DE OORLOG.
»Ik was radeloosj wat te doen. Nu eens wilde ik naar
de naaste buren om liulp Iqopen. Maar de vrees liad mij
derwijze aangegrepen , dat ik niet voort kon. Het eenig.
ste, dat ik kon, was sebrqijen en roepen; maar, wegens
de eenzame ligging vj\n ens huis, hoorde mij niemantl."
M In het eind kwam het mij voor, alsof mijne moeder
weder adem haalde. Ik riep haar met luider stemme; zij
sloeg de oogeü op en vraagde: waar ben ik?"
»Vreugde en droefheid beide beletteden mij het antwoor-
den j de tranen verstikten mijne woorden. Maar ach! op
dat oogenblik, sloeg de vlam uit het dak van ons huis"
?> Mijne moeder begaf zich, met inspanning van al hare
krachten, op de been, om in bet brandende huis te gaan.
Maar ik hield haar tegen en liet haar niet los, want zij
ware gewisselijk in het vuur omgekomen. Het huis stond
eensslags in ligte laaije vlam. Er schoten eenige menschen
ter hulpe toe ; maar alle hulp was vruchteloos; het huis
brandde af, zonder dat -wij iets geborgen hadden, dan
hetgeen wij om en aan hadden.
»Van tijd tot tijd kwamen er meer menschen opdagen.
Algemeen beklaagde men on? wegens onze ramp. Iedereen
had iets tt} vertellen, van hetgeen hem bejegend wasj
•^apt niemand was verschoond gebleven. Maar omgekomen
was er teph geen menseh, uitgezonderd mijn arme vader/'
»Toen het dag werd, was mijne moederzeer ziqkj want
wij hadden den ganschen p^cht onder den blooten hemel
gezeten, zond«r als nog te weten, werwaarts wij ons be-
geven zouden. Mijne moeder zat steeds naa&t het lijk van
mijnen y^der, en hjeld mij vast op haren sohpot, opdat,
dit wa» hare uitdrukking, zij ook mij niet verliezen jnogte."
»Toen kwam er eene arme weduwe uit cle buuft, 4ie
in