Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
T)E GEBROKEN WAGEN. 179
en akkers 5 der bossclien en bergen, der bronnen en rivie-
ren. De bergen leveren ons hun hout zonder geld, de
boomen hunne vruchten, de wijnstokken hunne druiven j
de bronnen haar water, de strooraen hunne visschen , de
bosschen hun wiUl, de rotsen hare schaduw en de grot-
ten hare koelte. Woedende stormen zijn voor ons zachte
avondkoeltjes, de sneeuw is onze verkoeling, de regen ons
bad, de bliksems onze fakkels en het ratelen van den
donder onze muzijk. Voor ons is de harde grond een zacht
dons en onze verharde huid dient als pansier en schild.
Geene banden stremmen onze vaardigheid, geene muren
bepalen onze vrijheid; niets beperkt onzen geest. De eer-
zucht kwelt ons niet; de vrees dat wij onze eer zullen
verliezen, is ons onbekend; wij boeleren niet om de
gunst der grooten en zoeken geene sluipwegen om over hen
te heerschen. Deze gevlochtene hutten, deze draagbare
tenten zijn voor ons gouden paleizen, en in plaats van
de schoonste meesterstukken der kunst, spreidt de natuur
op iederen stap de bekoorlijkste afwisseling van bergen en
dal^n, van weiden en bosschen , voor onze oogen uit.
Met een woord , wij zijn rijk in onze armoede; wij go«
nieten wat wij willen en zijn tevreden met hetgeen M'ij
hebben."
Gedurende dit gesprek kwamen onze wandelaars aan de
afhelling van eenen berg, van welken een steil pad naar
beneden voerde. Aan den voet des bergs lag een wagen
met een gebroken rad, en naast denzelven zaten eenige
personen, die schenen te wachten. Toen zij nader kwa-
men , zagen zij , dat het een jong man was en eene vrouw
met een kind op den arm , beiden in reisgewaad, De wa-
L 2 gen