Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
l5o
DE DOODSLAG.
Tiel woedend aan op zijne tegenpartij , en terwijl de armo
jiM^OB zijn leven verdedigde, trof hij den anderen met
zijnen dikken stok zoo ongelukkig op den kop, dat hij
dood ter aarde viel."
De kinderen luisterden met de grootste oplettendheid
naar deze treurige geschiedenis, beklaagden den ongeluk-
kigen doodslager, van wien allen getuigden dat hij een
regtschapen man was, en troosteden zich met de gedachte,
dat hij, die slechts zijn leven verdedigd had, hiervoor niet
itrafbaar zijn kon.
Zij hadden ook medelijden met den gedooden, hoewel
hij schuldig was. Zijue vreesselijke bloedige gedaante
zweefde voor hunne oogen. De heer O... vernam naar
zijne vrouw en kinderen.
Een der aanwezigen had het lijk mede weggebragt, en
verhaalde: «toen wij kort bij-maakxens woning gekomen
wareu, ging ik vooruit om zijne vrouw te waarsrhuwcn.
Zij zat in haar klein kamertje bij het spinnewiel, haar
gezangboek lag in de vensterbank naast haar, zij zong,
en de kinderen sponnen en zongen ook. Toen ik de
arme vrouw zoo zag zitten cn met hare kinderen bidden,
ging het mij door het hart, en ik had naauwelijks moed
om haar het groote ongeluk bekend te maken. Eindelijk
zeide ik echter: God
zij met u, vrouw terese! men
brengt uwen man. Is hij reeds weder d ronken ? zeide
zij. Ach l ik heb het wel gevreesd, dewijl hij zoolang
uitbleef! Dit zeggende , Legon zij en hare kinc!eren bit-
ter te weenen, — Hierop zeide ik : o arme menschen , hij
cal uit zijnen roes thans niet weder ontwaken. Zij be-
greep wat ik bedoelde en riep uit: o dat zicli God zijner
outfcrme , hij hoeft dus een ongtluk gehad?
Ja ,
anb*