Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE GIIOT.

I,azare was overgebragt. Hier hail bem bet gelukkigst
toeval tot eenen nabuur mijner vrouw gemaakt; bij buct
baur, zonder haar te kenuen, als arts eenige kleine dien-
sten bewezen 5 en eerst na verloop van verscheidene da-
g iu tot zijne grootste verrassing vernomen, dat zij de
gemalin van zijnen vriend was. Ik acht mij gelukkig,
voegde hij er bij, dat mijn ongeluk aanleiding heeft ge-
geven tot uwe herecniging met de beste en beminnelijkste
vrouw.
Ik omhelsde mijnen edelen vriend, ROSALIA hing reeds
Weeuend aan zijnen hals.
Mijn verlangen om HORTENSE te zien was onbeschrijfelijk.
Ook ROSALIA, die hare moeder nog in het geheel niet
gezien had, bad meer met blikken, dan met woorden,
dal zij dit genoegen smaken mogt. Eindelijk zeide mijn
vriend: ik mag voor u niet verbergen, dat uwe vrouw
zeer zwak is, eene zoo spoedige opvolging van hevige
aandoeningen kon voor haar nadeelig zijn , maar daar zij
weet, dat gij in hare nabijheid zijt, zoo zou een onvol-
daan verlangen haar niet minder benadeelen. Ik zal u
dus bij haar brengen, als ik haar op nieuws op uwe komat
voorbereid heb. Maar aau uwen wensch, ROSALIA, kan
ik voor als nog niet voldoen. Uwe moeder weet niet,
dat gij in miju huis zijt, en door deze vreugde mag zij
zoo plotseling niet verrast worden.
Miju vriend verliet mij met de belofle van binnen
weinige oogenblikken weder te zullen komen. Deze
oogenblikkeu schenen mij uren te zijn. Ik ging ongedul-
dig op en neer, en luisterde naar ieder gedruisch; rcsalia
«at slil en neerslachtig, en loosde van tijd tot tijd diepo
zuchten.
Mijn