Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i33 DE GROTi
vasthouden, om niet hij lederen stap, ter aarde te stor-
teu. Zoo slopen wij langzaam langs de straten, en onder
weg vernam ik allengs de nadere omstandigheden dezer
ongelukkige gebeurlenis.
Ik begaf mij naar het huis van mijnen arts om bij hem
raad en troost te zoeken. Toen ik de deur naderde zag
ik verscheidene menschen een bed dragen , dat bedekt
was. Mijn menschlievende vriend ging vooruit. Ik liep
naar hem, toe om liem geluk le "wcnschen. Mijn oog viel
op het bed , op hetzelve l«^g eene zieke bleeke gedaante,
welker gezigt met eenen dunnen sluijer bedekt was. Mijn
hart klopte. De sluijer verschoof zich van kin en mond,
en ik herkende mijne vrouw.
Ik zou te vergeefs pogen u den storm der ontsteltenis,
dv^r vreugde en smart, die in dit oogenblik in mijn hart
ontstond, te schilderen. Ik wist niet wat ik deed. Ik
\iel op de geliefde zieke eu riep haar bij haren naam.
Zij opende de oogen, herkende mij, gaf een' schreeuw en
fcloot daarop Irare oogen weder. Ik dacht op dit oogenblik ,
dat zij dood was en viel bewusteloos naast haar bed ne-
der. Toen ik weder bij kwam, lag ik te bed en bij mij
zaten de geneesheer en rosalia.
Mijne eerste vraag was naar bortense. Zij leeft , zeido
mijn vriend, en gij zult haar zien, zoodra gö bedaard
zijt. — Ik ben bedaard , breng mij bij haar. Slechts
nog een oogenblik geduld.
Hierop verhaalde hij mij , hoe hij verscheidene weken
in gestadigen doodsangst in de abdij gezeten had, hoe Ii^
en zijne medegevangenen door de luimen van den opziener
gekweld waren, hoe hij eindelijk onlangs, met een ge-
deelte der overigen, iu de vastere kerkers van Saint-
La-