Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
i34 DÉ TROUWE DIEXAAR.
«Op dezen eUch grepen twee dezer schurken onze me»
rrouwj die meer dood dan levend was, om Iiaar weg te
slepen. Ik. schreeuwde uit mijn bed; Burgers, laudslie-
Heden, vrienden, hoort mij! In den naam der republiek
en der wet, hoort mij! Al, wat men u gezegd heeft,
zijn de schandelijkste en zwartste leugens. De heer
saint-lambert is niet gevlugt, hij is in Parijs en thans
op weg herwaarts; zijn zoon is pas vijftien jaren en valt
dus nog niet in de conscriptie. Zij, die dit huis in den
Torigen nacht overvallen hebben, vraren ^vcrs, die ons
wilden vermoorden, mij hebben zij doodelijk gekwetst....
Maar hoe hard ik ook riep, men hoorde mij niet, ja
scmmigen bespotteden mij , en de roover, dien ik herken-
de , dreigde en overlaadde mij met scheldwoorden. Edvabd
vras door hen omringd. Hij scheen versteend, slechts
zijne oogen waarden rond alsof hij hulp verwachtte.
Maar toen zijne moeder naar de deur gesleept werd,
stiet hij de hem omringenden hevig ter zijde, en vloog
naar haar toe, uitroepende: barbaren, gij zult mijne
moeder niet te tweedenmale vermoorden
« Maar ach! zijn edele ijver was vruchteloos. Zij grepen
hem, en hoe woedend hij zich ook verdedigde, zoo over-
weldigden zij hem evenwel en bonden hem de handen op
den rug. Toen liij nu zag dat hij overweldigd en weerloos
was, sloeg hij zijne groote blaauwe oogen naar den hemel
en tranen stroomden langs zijne wangen. Ik wilde uit
mijn bed springen om hem te helpen, maar ik was daar-
toe buiten staat."
«Toen zij hem nu wegbragten, keerde hij zich nog eens
tot mij, zeggende: «La fra>'C£, trouwe, goede, eerlijke
la feasce! God btloone u, dewijl ik dit niet kan.
G roet