Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
tsS
RAOT OP RAMP.
uitlogt der gevangenen te zien; overal zag men beMyzen
van liartclijke deelneming cn diepe aandoening. Velen ver-
wachteden hier hnnne vrienden, ouders, kinderen of bloed-
verwanten ; overal hoorde men snikken en uitroepingen;
alom zag men aandoenlijke tooncclen. Hier herkende ik de
ligtzinnige bewoners der hoofdstad weder; dit zonderling
volk, even zoo beminnelijk in zijne schoone en edele ge-
voelens, als schrikkelijk in zijne ojistuimigheid.
Mijn eerste gang was naar mijne voorn»alige woïring.
Ik zocht die echter te vergeefs. De straat, waarin dit
huis gestaan had, was afgebroken en in een plein veran-
derd ; van mijnen huisheer kon ik geen berigt krijgen. Ik
begaf mij dus naar het huis van mijnen arts, waar ik iets
%'an mijne fanvilie hoopte te vernemen. Ik heb u reeds
gezegd, dat hij in «lenzelfden nacht gevangen genomen
was, waarin ik mijne vrijheid verloor. Maar hij leefde
echter nog, en zijne huisgenooten verwachteden ieder
oogenblik zijne terugkomst nit den kerker.
Ik liet ROSALIA bij deze goede lieden, en liep naar het
postkantoor, om te vernemen of er ook brieven voor mij
waren. Reeds langer dan zes weken had ik niets van
mijne vrouw en zoon vernomen. Eene ontzettende on-
gerustheid kwelde mij, zoo dikwijls ik aan deze geliefden
dacht. Onder weg werd ik plotseling door eenen man in
reisgewaad tegengehouden, die mij eerst voorbijgegaan y
toen weder omgekeerd was, en uitriep: O, mijnheer!
mijn dierbare heer! maar, goede hemel! hoe zijt gij ver-
anderd! Het was LA FRA^'CE, die trouwe knecht, welke
voor eenige dagen te Parijs gekomen was, om mij op te
joeken.
Ik wil u de aandoeningen niet beschrijven, die in dit
oogen-