Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ia()
RAMP OP HAMP.
rooit wederzien? Ik znclilte. — Wij zijn nu reeds zoo
langliier, vervolgde zij, en steeds zien wij niets dan deze
kale muren! — Acli I kon ik slechts eens weder den rui-
men blaguwen hemel zien, en met u, met moeder en
EDUARD wandelen ! Gij gelooft niet, hoezeer ik hier naar
verlang.
Ik werd hevig aangedaan door deze woorden. Het vro-
lijk beeld der vrijheid, dat voor haren geest zweefde, en
haar verlangen gaande maakte, stak te zeer af bij mijn
buister treurig voorgevoel. Ik was in dit oogenblik geen
meester meer over mij zeiven. Ik drukte het dierbaar kind
aau mijn hart en ontdekte haar den geheelen omvang der
gevaren , die ik tot hiertoe, zoo veel mogelijk , voor haar
verborgen had.
Toäu haar vader hier een oogenblik poosde, nam ROSA-
JLIA het woord. De woorden, die gij toeA zeidet, lieve
vader! en die mij zoo verrasten, zijn diep in mijn hart
geprent. Gij zeidet tot mij: O, mijn kind ! als deze
kerker geopend wordt, als de vrije lucht, waarnaar gij
verlangt, nog eens met de grijs gewordene haren vau uwen
vader speelt, en de zon nog eens zijn oog verblijdt, dan,
mijn kind! opent zich voor hem een diepere donkere
kerker, waaruit hij nooit weder tot u terugkeeren zal.
Dan zult gij van mijne zijde gescheurd worden, en op de
ruime stralen, onder het gewoel der menschen, alleen en
hulpeloos staan. Zij zullen u voorbij gaan, ieder naar
?ijn doel; niemand zal naar u vragen, en gij zult een-
zamer staan, dan iu eene woestijn. Allen, <iie gij ziet,
zullen naar hun verblijf, naar hunne vrienden, ouders,
kinderen gaan, maar gij zult geen verblijf hebben, en
als de avond komt, niemand vinden, die uwen honger
en