Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
RAMP OP RAMP. lai

Zoo verliep de tijd traag en kommervol. Dagelijks hoor-
den "wij op straat de namen der ongehikkigen uilroepen,
die ouder het slaglmes der tiraunij gevtllen waren; da-
gelijks riep men in den kerker gevangenen tot het verhoor,
cn de dag van hun verhoor was bijna altoos de vooravond
f
van hunuen dood,
In dit bang ongelukkig tijdperk , waarin ik alles rond-
om mij zag vallen, waarin ik zelfs ieder oogenblik het
doodvonnis verwachten moest, waarin ik voor eene van
mij verwijderde gade, eenen beminden zoon cn eene doch-
ter leefde, die slechls gered scheen, om op eene smade-
lijke wijze om te komen; gedurende dezen tijd was de
godsdienst mijn eenige troost. In de duisternis van deu
kerker verspreidde de gedachte aan God een helder vrolijk
licht in mijne borst, en het gelukte mij ook aan het vat-
baar hart van'mijne Rosalia dezen troost mede te deelen.
De geest van dit kiud ontwikkelde zich toenmaals met
onbeschrijfelijke snellieid. Haar onderwijs was mijne eeni-
ge bezigheid. Als zij op mijnen schoot zal, en haar kinder-
lijk hart zich voor God opende, en hare blikken den On-
eindigen zochten, dan veranderde dikwijls mijn verdriet
in vreugde, en door den duisteren sluijer der tegenwoor-
digheid straalde mij het helder uitzigt op eene vrolijke toe-
komst te gemoet.
Eens op eenen morgen zag ik, dat rosalia zeer aange-
daan was. Een heldere schoone dag scheen door ons
venster, en aan den muur speelde het loof der boomen,
die wij niet zagen. Rosalia beschouwde dit oplettend,
bedekte loen haar gezigt en weende. Wat scheelt u,
kind! vraagde ik. — Ach! antwoordde zij, ik denk aan
de groene boomen van mijne geboorteplaats: zullen wij die
nóóit