Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
ia()
RAMP OP HAMP.
mij. eerst weder uit mijne gevoelloosheid ontwaken. Deze
man 5 hoewel gewoon aan de tooneeleu des ongeinks, werd
ecliter door het zien van hosalia getroffen en poogde ons
moed in te boezemen. Ik nam met hem de noodige af-
spraaic aangaande onze behoeften, en kort daarop zond Iiij
zijne vrouw, een goedaardig meuscli, dat ons met bedden,
en al wat wij noodig hadden, verzorgde.
Ik bragt den nacht slapeloos door. Mijne gedachlen waren
bij de mijnen, die ik te vergeefs gehoopt had dra te zul-
len omlielzen. Ik dacht aan mijnen vermoorden broeder
en aan zijne bloedige gedaante sloot zich eene lange rij van
andereu, die dagelijks, even zoo schuldeloos als hij, aan
eene hersenschimmige republiek, die niet bestond, geofferd
werden. Ik had geen uitzigt dan de dood. Maar toen de
lange bange nacht eindelijk voorbij was, toen door het
getraliede venster, hoog inden muur, een vriendelijke zon-
nestraal in onze cel viel, en de smalle, ledige, duistere
kamer verlichtte, toen vloeide mijn hart over van weemoe-
dig- en treurigheid , en ik wierp mij neder voor God en
bad voor mijne kinderen en hulpelooze gemalin.
Zes lange bange weken bragt il: in dezen kerker door,
zonder bijna andere menschen te zien, dan de lotgenooten
van mijn ongeluk. £n ook dit zelfs was niet altoos ge-
oorloofd, Alle verkeering met de inwoners der stad was
op het strengst verboden, en alle pogingen, die ik aan-
wendde om aan mijuen arts en door hem aan mijne vrouw
eenig berigt van mijnen toestand te zenden, bleven geheel
vruchteloos. Ach! deze menschlievende man, op wiens
bijstand ik gerekend had , was in deuzelfden nacht gevangen
genomen, waarin ik mijne vrijheid verloor. De een wist
niets van den toestand des anderen.
Zoo