Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
EAMP OP RAMP.
123
Rij het heengnan verzocht ik den huisheer mijnen arts
kennis van mijn lot te geven. Hij beloofde dit. Wij wer-
den weggebragt. Het weder was storm- en regenachtig.
KosaLIA hing aan mijnen arm, sidderend en snikkend; zij
kon naauwelijks gaan. Ik wilde haar op mijnen arm nemen,
mnar een onzer geleidei^ kwam mij hierin voor.
O, zeide Rosalia , ik herinner mij nog als of het heden
gebeurd was, welk een schrik mij overviel, toen mij deze
vreesselijke man opnam. Ik was meer dood dan leven<l;
ik dacht, dat hij mij vermoorden wilde, en waagde het
in het eerst niet hem aan te zien , zoo ontzettend was zijn
aanblik en zoo vreesselijk zijn groote baard, die de helft
van zijn gezigt bedekte. Maar naauwelijks zat ik op zijnen
arm, of hij drukte mij vriendelijk aan zijn hart, en hij
troostte mij met eene zachte stem, zeggende, dat men mij
geen leed zou doen: ja ik voelde dat tranen langs zijne
wangen rolden.
l-)i'ze man, vervolgde SAINT-LAMBKRt, verborg inderdaad
onder een ruw bekleedsel een welwillend hart. Hij bad
eene groote genfegenheid voor ROSALIA opgevat, en kwim ,
gedurende onze gevangenis, dikwerf bij ons, en bewees
ons vescheidene kleine nuttige diensten. Als hij de wacht
bij ons had, veroorloofde hij ous steeds eenige vrijheden meer,
dan onze medegevangenen.
Ik wil u de aandoeningen niet schilderen, die mij be-
stormden , toen de deuren der gevangenis achter mij ge-
sloten werden. De dood was het minste, wat ik vreesde;
maar de gedachte aau mijne vrouw en aan de hulpeloos-
lieid van mijn kind brak mij het hart. Ik viel neder op
een rustbed en nam ROSALIA op mijnen schoot. Zij noch ik
konden een woord spreken. De komst van den cipier deed
^ )nij