Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
120 DE TWEE GELUÏCKIGE DAGEN.
gen , en herkende de plaats, waar de stad liggen moest ,
toen mij de nacht overviel en de onveiligheid van den
weg noopte in een dorp mijnen intrek te nemen. Ook hier
vond ik vier wervers, die terstond jagt op mij maakten ,
mij vleiden en dreigden, en mij tot drinken wilden verlei-
den , maar ik weerstond hunne aanzoeken heldhaftig. Ik
sliep dien nacht niet veel, en eer de dag aanbrak, nam ik
mijnen bundel en stok, en vertrok. De weg liep door een
hosch , ik dacht aan geen gevaar, maar slechts aan miju
huis en telde de uren , wanneer ik daar zoude komen."
» Plotseling werd ik aangevallen. De wervers waren nog
vroeger dan ik op weg gegaan en overvielen mij. Ik werd
ter aarde geworpen, zij poogden mij te binden, maar het
gelukte mij een' arm los te rukken, en ik sloeg den eenen
zoo in het gezigt, dat hij nederviel; met miju' elleboog
sliet ik den anderen in het gras, hierop sprong ik woedend
op, en zwaaide mijnen knuppel met zoo veel nadruk, dat zij
hunne sabels lieten vallen en vlugteden. Ik toefde van
mijnen kant ook niet lang. Zij schoten op mij , zoodat mij
de kogels om het hoofd snorden , maar raakten mij geluk-
kig niet. Zij ha<!den echter geen' lust mij verder te ver-
volgen, ook bereikte ik dra de grenzen, de zon w^as opge-
gaan en de velden begonnen met menschen vervuld te
worden."
»Onvermoeid stapte ik nu voort, en groette iedere beken-
de plaats, die gedurig toenamen, hoe meer ik de stad na-
derde. Eet was kort na den middag, toen ik hare roo-
kende schoorsteenen zag, en ik onderscheidde dnidelijk
het dak van mijn ouderlijk huis, maar de schoorsteen,
die op hetzelve stond, rookte niet. Nu klopte mijn hart.
Ik giug zitten in het boschje, dat aan den weg lag, om
mij-