Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
3 DE NATUUR.
oog hierdoor verzadigd werd. De werkzaamheden van den
noesten landmauj het gezang van den leeuwerik, en zei &
de heesche slem van den kikvorsch vermeerderden hunne
vreugde, waarbij zij zich op nieuw herrinnerden de ge-
noegens , in vurige lentedagen gesmaakt.
Eene kleine hoogte, door hen beklommen, verwijdde nog
meer den gezigtskring. Naar gelang dezelve zich verder
uitbreidde, verloren hunne blikken zich in de verte, ter-
wijl hunne blijdschap stiller en gevoeliger werd. De zon
was reedj aan het dalen. Eenige losse wolken dreven om
haar Iienen , en daalden, met dit heerlijke licht, weder in
de zee. »De zon begeeft onszeifie de vader. »Hoe
schoon, hoe weldadig is zij nog, terwijl zij den gezigts*
einder verlaat Morgen treedt zij met nieuwen luister
wederom ten voorschijn, om hare weldaden, mildelijk^
aan ons mede te deelen, en hare verlichtende en koeste»
rende stralen op dit gedeelte van den aardbodem te doen
nederdalen."
De maan trad in het oosten ten voorschijn, en dreef,
gelijk een klein schuitje, in het terugkaatsend avondrood.
De kinderen toonden dit aan hunnen vader. »Hoe schoon,
hoe teeder, lieve vader! is de maan — maar zoo vertoont
zij zich niet altijd." Dus sprak alwin. » Zij is slechts in
hare kindschheid, in den beginne harer verschijningant-
woordde de vader. »Dagelijks moet zij in onze oogen wassen,
en dan geeft zij ook meerder licht, tot wij de geheele ron-
de schijf aanschouwen. Misschien zullen de wolken haar
nu en dan bedekken, zoodat zij treurig haar geldat als verbergt.
Na eenigen lijd neemt zij weder af, wordt kleiner, tot
aat zij eindelijk geheel verdwijnt, en dus tot een spre-
kend bt^ld verstrekt vau het menschelijke leven."
»Ik