Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
102
DE TWEE GELUÏCKIGE DAGEN.
geplant had, toen hij, na een* grooten brand, zijn huis
M'cder opbouwde. Bij die gelegenlieid kwamen dan meest-
al eenige der oudste buren , ja zelfs jonge lieden bij hem ,
en luisterden met genoegen, wanneer hij van oude tijden
sprak en verhaalde van de jammeren des krijgs en van
vreemde steden , die hij bezocht had, of van zijne jeugd
en zijne gelukkige dagen, ^
ïïTwee zeer blijde en gelukkige dagen, plagt hij dan te
zeggen, heeft mij de hemel geschonken, en het denken
aan dezelve heeft mij mijn geheel leven door, in al mijn
lijden staande gehouden. Behalve de feestdagen onzer kerk
zijn deze voor mij de hoogste feestdagen in het jaar, en ik
vier die steeds door vrolijke [herinnering en hartelijke
dankbaarheid jegens Hem, van wien al het goede en ver-
troostende komt.''
» De eerste van deze feest- en vreugdedagen was de dag
mijner wederkeering van mijne reis als handwerksman.
Wijn vader was een arbeidzaam en ernstig man, die mij
niet veroorloofde veel rond te loopen, maar mij van der
jeugd af aan het werk hield. Wat een goede boom wor-
den zal, plagt hij te zeggen, die moet in deu wind opwas-
sen , en een handwerksman moet niet opgevoed worden,
als een edelman. Ik achtte hem hoog, en gehoorzaamde
ïijne bevelen, dewijl dit Gods gebod eischt, doch ik deed
dit niet steeds met vreugde en met geheel mijn hart ?
maar mijne moeder beminde ik hartelijk en deed al wat
zij mij beval met blijdschap. Beiden waren reeds bejaard;
toen ik zoo ver gevorderd was, dat ik op reis kon gaan,
want ik was de jongste van tien kinderen , waarvan mijne
zuster en ik alleen nog overgebleven wareu. Ik verliet
mij^