Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VRIJHEID.

ons 5 iti dezen trenrigen toestand , een plotselinge dood
nog gcwenscUter geweest zijn, dan een leven in eeue sma-
delijke slavernij , welks verschrikkingen ons thans in on-
geloofelijke henaauwdheid deden verstommen."
» Wij moesten eenigen lijd op het plein van het paleis
staan , waar wij de turksche wacht ten schouwspel dienden.
Ki(jdeUjk verscheen deDey, een duister weinig beteekenend
man , monsterde ons vlugtig en koos eenigen van ons ten
dienste van den slaat. Ik was onder dit getal. Wij wer-
den van de overigen afgezonderd en aan een' Gardiaan over-
gegeven om naar een hagnio gebragt te worden, terwyl
de overigen naar de slavenmarkt geleid werden. Deze
scheiding vau de deelgenooten van ons ongeluk, was het
sdirikkelijkst en smartelijkst oogenblik , dat wij sedert on-
ze gevangenneming ondervonden hadden,"
)) Het was avond geworden en onze opziener sloot ons
iu onzen kerker, waar wij nog een aantal andere christen
slaven vonden. Deze ongelukkigen, menschen van de
verschillendste natiën, verwelkomden ons, maar gedeelte-
lijk op zulk eene ruwe wijze, dat mij eene huivering
overviel. De minsten schenen eenig gevoel van hunnen toe-
stand te hebben, of liever, hun gevoel was door de langdu-
righeid van tijd en de hardheid vau het juk, dat hunne
schouders drukte, verstompt geworden. Over het algemeen
was voor mij niets schrikkelijkers en walgelijkers, dan de
avonden eu nachten, die ik in dezen morsigen kerker moest
doorbrengen, die door de onbeschofte taal eji ruwe liede-
ren mijner medegevangenen nog vuiler scheen te worden.
)> Het werk, dat wij op den volgeiuleu dag, eu steeds ge-
stadig van zonue op- lot zoune ondergang verrigten moes-
ten, was niet zeer moeijclijk, ten minste voor degenen ,
die