Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
DE VRIJHEID.
» Onze toestand was ijsselijk. De morsigheid der plaats
en de verpeste luclit die daar lieersclite , waren slechts het
kleinste duel van ons lijden , maar de smart over het ver-
lies van onze vrijlieid en ons vermogen, het uiJzigt op
eene smadelijke en liarde slavernij, en de gedurig vernieuAV-
de toorn over het juichen der Algerijnen mcUikten ons bij-
na wanhopig,"
»Zoo kwamen wij te Algiers, Een woest gejuich en
eenige kanonschoten, die van den oever beantwoord werden,
verkondigden ons , dat wij kort bij de plaats onzer bestem-
ming , of liever vau onze ellende waren. Thans kwam,
wat wij ooit van den ongelukkigen toe5tand der Christenen
slaven gehoord hadden, op de vreesselijkslo wijze, voor
onze verbeelding, en wij zouden bijna aan liet langer ver-
blijf in het hol van het schip, lu>e afschuwelijk dan ook,
de voorkeur gegeven hebben , boven het ontschepen aau
liet gevreesde land. Intusschen werden wij ajin den oever
gedreven, waar ons eene menigte morsig gespuis van aller-
lei kleur ontving, wplkers vreugde over het zien van ons
piij voorkwam als het huilen van hongerige wolven , die
hunnen buit met gretige tanden verwachten."
»Nadat wij een' korten tijd aan den oever vertoefd had-
den om ons door eenig voedsel te versterken , waarbij wij
de schoone ligging der stad, Iioewel niet betraande oogen,
Jjeschouwdcn , werden wij naar het paleis van den Dey
gebragt. Wij trokken door morsige en donkere straten , steeds
door een gedeelte van het bruin , geel en zwart gepeupel
omringd, dat ons aan het strand der zee ontvangen had,
cn al, wat wij onder weg opmerkten , diende slechts om
ons angst en schrik in te boezemen. Wij meenden bij ic-
dercn stap den dood voor oogen te zien, en evenwel zou
ons,