Boekgegevens
Titel: Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Auteur: Jacobs, Christian Friedrich Wilhelm; Meurs, Jacobus van; Veelwaard, D.
Uitgave: Amsterdam: Ten Brink & De Vries, 1822
Tweede verm. dr
Opmerking: Oorspr. titel: Allwin und Theodor
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1922 H 24
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204232
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Duitse letterkunde
Trefwoord: Vertalingen (vorm), Verhalen (teksten)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Alwin en Theodoor: of Geschenk van eenen vader aan zijne kinderen
Vorige scan Volgende scanScanned page
84 DE VRIJHEID.
weende bitter. Het gedrag van mijn' meester scheen m^
niet alleen onregtvaardig, maar ook wreed te zijn , en de
gedachte, dat ik vier of vijf zomers eene nog strengere
gevangenis zou moeten verduren, maakte mij bijna wan-
hopig."
ï)Ik drukte m^n gezigt M-eenend in het kussen, en terwijl
ik zoo lag, raakte ik toevallig met mijne hand het oude
boek, waarbij ik zoo dikwijls mijn lijden vergeten had.
Deze aanraking.werkte wonderdadig op mij. Het was als-
of een vreemde geest mij bezielde, mijne tranen vloei-
den niet meer. Ik zwom op de zee, ik dwaalde rond in
vreemde landen. Mijn besluit was genomen , ik nam voor
dit huis te verlaten, en elders mijn geluk te beproeven. Ik
stond op en het scheelde weinig, of ik had mijn besluit
terstond uitgevoerd. Maar terwijl ik zoo in mijne kamer
op en neder liep , bedacht ik mij, en besloot den dag af
te wachten en mij dan reisvaardig te maken."
» Ik kon van vreugde over dit besluit den geheelen nacht
bijna geen oog toedoen, en de dag brak naauwelijks aan>
of ik stond op. Ik ging, naar gewoonte, aan het werk,
en daar mijn weefgetouw in het vertrek van mijnen meester
stond, zoo liet hij niet na mij gestaag de zonde, den
voorgaanden dag door mij bedreven, onder liet oog te bren-
gen , en mij met nog veel zwaardere straffen te bedreigen^
zoo hij mij ooit weder op zulke wegen betrapte. Ik luis-
terde naauwelijks naar hetgeen hij zeide, en mijn hart
klopte zoo hevig, dat ik naauwelijks de schietspoel houden
kon. Des avonds verzocht en kreeg ik verlof om naar
mijne moeder te gaan, waar ik mij meester maakte van
een klein beursje, dat mijne bespaarde penningen bevatte^
dit bestond uit een klein kapitaal van eenige daalders;
dat