Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
ÜO
doch men moet bij het aanwenden van omzettingen
met oordeel handelen, want omzettingen als deze;
ligtgeloovige menschen verrasschen de verleidingen;
eens beioeent uw graf de liefde, doen der taal ge-
weld aan, en maken den zin hoogst onduidelijk.
Over de gebreken in de woordschikkingen.
434. Een der grootste gebreken in de schikking
der woorden bestaat hierin, dat men aan de bepa-
lingen in den zin eene verkeerde plaats geeft.
Daardoor krijgen onze uitdrukkingen meestal eene
geheel andere bedoeling, dan men zich voorstelde,
als: de schoonheden der natuur alleen kunnen opge-
merkt worden door menschen, die een gevoelig hart
bezitten; door verandering van alleen achter kunnen
krijgt de zin eene andere beteekenis. Zoo ook in:
ik heb meer dan anderen u begunstigd; verschilt in
beteekenis van: ik heb u meer dan anderen begun-
stigd.
435. Het menigvuldig gebruik van de voornaam-
woorden die, welke, zij, hun, enz. kan eene niet
geringe verwarring veroorzaken, als: vele menschen
zien met nijdige oogen op het goede, hetwelk anderen
bezitten, en denken dat hun roem den hunnen ver-
donkert, en hunne prijselijke hoedanigheden hun in
het licht staan; daarom doen zij al wat zij kunnen,
om daarover eenen nevel te verspreiden, ten einde de
glans hnnner deugden hen niet in het duister stelle.
436. Men wachte zich zorgvuldig van die woorden,
welke natuurlijk of door voegwoorden met elkander
vereenigd zijn , door tusschenvoeging van een ander
woord te scheiden, als: wij bewonderen eenen held
in de Ruiter, even menschlievend als dapper, voor:
wi/ bewonderen in de Ruiter eenen held, even mensch-
lievend als dapper.
-»37. Men mag ook niet eene geheel nieuwe rede-
nering aanvangen met een tegenstrevend of redegevend
voegwoord dat uitsluitend op iets voorafgaands betrek-
king heeft, bijv: maar hij weet er zich in te schikken.