Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
87
niet gebruikelijk bij de vereeniging van een hulp-
woord met een deelwoord of eene onbepaalde wijs,
als: zij hebben hem bier voor wijn te drinken gegeven.
Over de verhalende, verbindende en vragende
woordschikking.
417. De woordschikking is driederlei, namelijk:
verhalend, verbindend en vragend. Hetgeen tot dus
verre over de schikking der woorden gezegd is, be-
treft den gewonen gang onzer voorstellingen en be-
grippen , en wordt daarom de verhalende genoemd.
418. Het onderscheidene kenmerk van de verhalen-
de, ook wel natuurlijke woordschikking genoemd,
is, dat het vervoegde zegwoord onmiddellijk achter
het onderwerp komt en door zijne bepalingen ge-
volgd wordt, als: een goed vorst is een vader voor
zijne onderdanen.
419. Eene tweede soort van woordschikking is die,
welke de vragende genoemd wordt, omdat zij voor-
namelijk bij vragen gebruikt wordt. Deze woordschik-
king onderscheidt zich daardoor, dat het vervoegde
zegwoord voor het onderwerp geplaatst wordt, het-
welk daarop gewoonlijk doorgaans volgt, als: hebt
gij uwen vriend van daag gezienl
420. Wanneer het onderwerp zelf een vraagwoord
is, dan heeft er geene afwijking van de natuurlijke
woordschikking plaats, als: wie heeft dat gerucht ver-
spreid 1
421. De vragende woordschikking heeft ook plaats
bij eene opwekking, een bevel of verzoek , door de aan-
voegende of gebiedende wijs uitgedrukt, wanneer het
onderwerp van den zhi door een voornaamwoord
wordt uitgedrukt, als: hadde ik het maar niet ge^
daan; o God! wees mij armen zondaar genadig!
422. Deze woordschikking wordt nog gebruikt:
Ie. bij het weglaten der voegwoorden, indien,
alhoewel, ofschoon, enz.; bijv.: doet hij het, hij zal
het weten, of dan zal hij het weten.
2«. als eenig bijwoord, of een dier voegwoorden,