Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
86
411. Volgen op een zegwoord verscheidene bepa-
lingen, dan moeten deze altijd in zoodanige orde
staan, dat hetgeen minder scherp is , wat meer scherp
is voorafgaat, ook worden die woorden het laatst ge-
jlaatst, welke onmiddellijk tot het zegwoord zelf be-
looren, als: Balthasar Gerards bragt m den jare
vijptiendondebd viEB en TACDTie Pftns Willem den eer-
sten te delft met een PisToolgcnoT OM het leven.
412. Men mag alweder van deze volgorde afwijken ,
door aan het einde eene bepaling te plaatsen, die
anders vooraan zou moeten komen, bijv.: Egmonden
Hoorne gingen, overtuigd van hunne onschuld, naar
de strafplaats, met een gelaat , waarop kalmte en ziel-
rust te lezen was.
413. Op dezelfde wijze staan alle bijwoorden ach-
ter het vervoegde zegwoord, en wel in die orde, dat
liijwoorden van tijd en plaats voorafgaan, dan die
vaïi hoedanigheid, en ten laatsten die , welke eigen-
lijk tot het zegwoord behooren, als: het sneeutvde
gisteren hier verschriJikelijk hard.
414. Bij zegwoorden, zamengesteld met afscheid-
bare voorzetsels, wordt in de vervoeging het voorzet-
sel doorgaans achteraan geplaatst, zoodat alle bepa-
lingswoorden tusschen dit voorzetsel en het zegwoord
komen, als: de vlijtige jongen rekende deze som in
korten tijd met weinig moeite uit-, dit heeft ook plaats
met acht geven, ^e/ioor g-ecen en dergelijke uitdrukkin-
gen meer.
41.'j. Heeft een zegwoord twee of meer onbepaalde
wijzen bij zich, dan staan alle bepalingswoorden tus-
schen het zegwoord en de onbepaalde wijzen, als:
ik heb in dat bosch den nachtegaal liefelijk hooren
fluiten; ik heb hem die zaak met al mijn vermogen
willen helpen uitvoeren. Echter dient men om de
duidelijkheid de zamenvoeging van meer dan twee
onbepaalde wijzen te vermijden.
416. De onbepaalde wijs met te komt ook wel ach-
ter hare bepalingen, als: ik tracht mijnen ouderen
genoegen in alles te geven. Deze woordschikking is