Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
85
in plaats van een zelfstandig naamwoord, dan kon)t
het zegwoord achteraan, als: de jongen, die wei
leest, dit heeft ook plaats in die uitdrukkingen , waarin
het zegwoord met een hulpwoord vervoegd voorkomt,
en dan staat de onbepaalde wijs of het verleden deel-
woord als bepaling van het hulpwoord, meestal ge-
heel achteraan, als: het spel zal menigeen ongelukkig
maken; — het spel heeft ihenigeen ongelukkig gemaakt.
407. Wanneer een vervoegd zegwoord twee verho-
gen naamvallen achter zich heeft, staat gemeenlijk
die des persoons, of de derde, voor dien van de zaak,
of den vierden, als: de vader gaf zijnen zoon een
goeden raad. Maar men wijkt somwijlen van dezen
regel af; het is toch niet zelden onverschillig welkeii
naamval men vooraan plaatst, inzonderheid, als men
den derden door het voorzetsel aan omschrijft, als:
hier hebt gij een boek, geef dit uwen zoon.
408. Een vervoegd zegwoord kan ook twee vierde
naamvallen bij zich hebben. In dit geval staat die,
het eigenlijk voorwerp voor den anderen, als: gij
noemt hein uwen vriend.
409. Wanneer een naamval door een zelfstandig
naamwoord met zijn voorzetsel, of ook door een tus-
schenzin nader omschreven wordt, dan vordert de
duidelijkheid, dat deze omschrijving terstond achter
dien naamval kome, als: Prins Maiirits won den
slag bij Nieuwpoort.
410. Wanneer het zegwoord , buiten de woorden,
die het onmiddellijk beheerscht, nog door een zelf-
standig naamwoord met zijn voorzetsel nader be-
paald wordt, dan plaatst men die achter aan, bijv.:
deze tijding verschafte ons een groot genoegen. Wan-
neer door het zelfstandig naamwoord met zijn voor-
zetsel eene omstandigheid van tijd of plaats beteekend
wordt, dan wordt dit ook wel vooraan geplaatst,
als: ik vond in huis een paar oude vrienden; heeft
de door het zegwoord beheerschte naamval een voor-
naamwoord bij zich, dan gaat dit gemeenlijk voor
af, als : ik vond deze oude vrienden in huis.