Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
(lelijkheid voort, en moet daarom vermeden worden,
als: door met zwaarden getcapende mannen werd hij
aangegrepen; beter: hij werd aangegrepen door man-
nen, die met zwaarden gewapend waren.
390. Eenige voorzetsels worden altijd achter de
naamwoorden geplaatst, zoo als : halve, wege, waarts;
bijv.: ambtshalve, van regeringswege, stadwaarts.
De voegwoorden en hunne verbinding
met andere woorden.
391. Na hetgeen van de voegwoorden reeds ge-
zegd is, is alleen nog op te merken, dat de naam-
woorden , tusschen welke, hetzij verbindende, hetzij
uitsluitende voegwoorden geplaatst worden , altijd in
denzelfden naamval staan zonder echter altijd in ge-
slacht en getal overeen te komen, als: ik vond daar
den meester en zijne leerlingen; ik heb noch hem,
noch haar gezien.
392. Men zegt gemeenlijk, dat sommige voegwoor-
den de aantoonende, andere de aanvoegende wijze
beheerschen j dat is zoo niet, daar de wijze door
den aard eens zins niet door de voegwoorden bepaald
wordt.
393. Wanneer iels zeker en stellig wordt voorge-
dragen , behoort de aantoonende wijs plaats te heb-
ben , terwijl de aanvoegende wijs alleen bij onzekere
en twijfelachtige zinnen te pas komt, van daar, dat
hetzelfde voegwoord, nu eens de aantoonende, dan
de aanvoegende wijze verkiest, als: ik vrees, dat hij
reeds overleden zij; — ik geloof, dat hij reeds vertrok-
ken is. Zie J 35Ö.
De tusschenwerpsels.
394. De tusschenwerpsels, als geene klare voorstel-
lingen, maar alleen gewaarwordingen aanduidende,
zijn eigenlijk voor geene verbinding met andere woor-
den vatbaar.
395. In sommige gevallen nogtans hebben zij woor-
den in onderscheidene naamvallen achter zich, doch