Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
80
of duizendtallen bevat, als; drie honderd en eene
stad; — duizend en één nacht. Met half zatnenge-
steld hebben zij ook het enkelvoud bij zich, als:
derdehalf brood en ook breuken met of zonder gehee-
len, als: drie vierde el, twee en drie achtste last,
378. Maten, gewigten en munten, als vereenigd
voorkomende, staan benevens het zegwoord in het
enkelvoud, als: daar is zestien ton turj; komen zij
integendeel als verdeeld voor, dan staan zij in het
meervoud, als : daar zijn twee en zeventig guldens,
maar dan bedoelt men hier twee en zeventig enkele
guldens.
379. Omtrent het woord heide moet aangemerkt
worden , dat het zegwoord hierbij in het enkelvoud
geplaatst wordt, wanneer het niet tot twee afzonder-
lijke voorwerpen, maar tot twee zaken betrekking
heeft, welke als een geheel beschouwd kunnen wor-
den, bijv.: hij is gewoon veel te eten en lang te sla-
pen , beide is schadelijk voor de gezondheid.
380. Omtrent al en alle moet men het volgende
opmerken. Al wordt niet verbogen voor een lidwoord
of bezittelijk voornaamwoord, als: hij deed al den
arbeid-, — al deze vrees is ongegrond. In het meer-
voud kan bet verbogen worden , als: alle mijne be-
zittingen zijn verloren. Alle in een verzamelenden
zin genomen , blijft onverbogen , als : ik ken alle man
van die plaats-, beteekent het gansch, geheel, elk of
ieder dan wordt het verbogen, bijv.: zij is afkeerig
van allen arbeid.
De bijwoorden en hunne verbinding
met andere woorden.
381. De bijwoorden behooren tot de zegwoorden,
even als de bijvoegelijke naamwoorden tot de zelf-
standige naamwoorden, het is dus verkeerd een bij-
woord te gebruiken als een bijvoegelijk naamw. ver-
eischt wordt en omgekeerd, als: hij schrijft fraai,
een fraai schrift; in het eerste voorbeeld is fraai een
bijwoord, in het tweede een bijvoeg, n.w.