Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
78
zegwoord handelt; hijv: de moeder liefkoosde haar
lief' wicht, de veldheer prees den krijgsman,
363. Bij bedrijvende zegwoorden staat het voor-
werp der handeling in den vierden naamval, terwijl
dit bij een lijdend zegwoord in den eersten naamval
staat, als: de jongen slaat den hond; — dc hond
wordt door den jongen geslagen.
364. Enkele bedrijvende en onzijdige zegwoorden
hebben den derden naamval bij zich, als: ik gehoor-
zaamde de vijanden des lands niet.
365. Hebben de zegwoorden in den bedrijvenden
vorm twee vierde naamvallen bij zich, dan komen
er in den lijdenden vorm ook twee eerste naamval-
len, als: men noemde hem eenen domoor; hij werd
een domoor genoemd.
3G6. De zegwoorden zijn, worden, blijven, heeten
en schijnen kunnen insgelijks twee eerste naamvallen
bij zich hebben, als: Nero bleef ook in zijnen ou-
derdom een wreedaard.
367. De wederkeerige zegwoorden hebben natuur-
lijk achter zich het voornaamwoord in den derden of
vierden naamval des persoons, op wien IniTnie wer-
king terugkeert, als: ik herinner mij.
368. Die zegwoorden, welke eene onzijdige betee-
kenis hebben, nemen meestal den derden naamval
achter zich, als: het berouwt hun; het bevreemdt
mij, het betreft u.
360 Die onzijdige zegwoorden, wanneer zij een
bedrijf aanduiden, hetwelk op een ander voorwerp
overgaat, krijgen den vierden naamval achter zich,
■als: hij speelt zijn spel; het sneeuwt groote vlokken.
370. Sommige zegwoorden hebben een tweeden
naamval bij zich, als: ontferm u onzer, gedenk
mijner.
37). Ook wordt door den vierden naamval de be-
paling van tijd, lengte, breedte, hoogte, zwaarte,
waarde en prijs der dingen aangeduid, als: ik heb
verleden jaar winter niet gewerkt, dat boek kost
eenen gulden, hij is eenen duim gegroeid, door de