Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
75
verledenen , wanneer van iets, dat kort geleden voor-
viel, gesproken wordt, bijv.: gij hoort dat ik mijne
zaak ioel weet te verdedigen. Wanneer men iets be-
doelt, dat kort aanstaande is dan bezigt men dien
t'yd ook wel voor den toekomenden, bijv: gaat gij
morgen naar huiten ? ïk kom spoedig weèr, voor:
zult gij morgen naar^ buiten gaan? ik zal spoedig
weerkomen. lJuiten noodzakelijkheid mag men niet
van tijd veranderen, en bij een antwoord, bedient
men zich van denzelfden tijd waarin gevraagd wordt,
bijv: zijt gij te Am*iterdam geweeste Ja, ik ben er
geweest.
353. In levendige verhalen wordt de tegenwoor-
dige tijd voor den eerst betrekkelijk verleden tijd in
de plaats gesteld, bijv.: terwijl ik gerust op mijne
kamer zit, hoor ik plotselijk iemand angstig om hulp
roepen, ik vlieg naar huiten en zie eene vrouw in
het water liggen, ijlings spring ik in een schuitje,
dat juist in de nabijheid lag, roei naar de ongeluk-
kige toe en heb het geluk haar te redden. Deze ver-
wisseling hoe fraai ook somtijds, moet niet al te
dikwerf geschieden en is alleen bij dichters of in
de vertrouwelijke spreektaal geöorloold.
Verder gebruik der zegwoorden en hunne
verbinding met andere woorden.
354. Wanneer twee of meer zegwoorden in dezelfde
betrekking bijeenkomen, wordt het hulpwoord, dat
zij met elkander gemeen hebben, slechts eens ge-
plaatst: toat ik gehoord, gezien en gebruikt heb, is,
enz. Men vermijde het overtollige gebruik der hulp-
woorden hebben, zijn en worden. Het zegwoord heb-
ben in den zin van bezitten, verpligt zijn, maakt
Iiierop eene uitzondering.
355. De herhaling van het hulpwoord is soms
noodzakelijk, wanneer men den zin versterken en
eene opklimming aanduiden wil, als: nimmer zal ik
hem verlaten; alle gevaren zal ik met hem deelen; ja,
ik zal hem bewijzen, wat ik voor hem over heb.