Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
73
een in de geschiedenis, de andere in de natuurkunde.
Dikwerf wordt ook een zegwoord, hetwelk op twee
personen betrekking heeft, bij den laatsten verzwegen ,
als: Jan houdt meer van spelen, Willem van leeren.
Over de getallen.
343. De zegwoorden regelen zich ten aanzien van
het getal altijd naar de onderwerpen, waarop zij betrek-
king hebben , als: de jongen speelt, de jongens spelen.
Wanneer een zegwoord tot twee ol meer voorafgaande
voorwerpen, die in het enkelvoud staan, betrekking
heeft, zoo moet het in het meervoud gesteld worden,
als: vlijt, geseggelijkheid en gehoorzaamheid zijn het
schoonste sieraad van kinderen. In verzamelenden
zin echter bezigt men bij twee of meer zaken meestal
een enkelvoudig zegwoord, zelfs met een meervoudig
naamwoord, hoezeer alsdan het eerst te noemen on-
derwerp enkelvoudig wezen moet, als: er was in
huis slechts één bed, eene tafel en drie stoelen.
344. Ook in de rekenkunde staat achter getallen,
die een meervoud uitdrukken, doorgaans een zeg-
woord in het enkelvoud, als: zes en vier is tien.
Alles heeft een zegwoord in het meervoud bij zich,
wanneer het volgend zelfstandig naamw. meervoudig
is, als: dit alles zijn geene bewijzen.
345. Oudtijds gebruikte men de volgende spreek-
wijze: daar is er, die zeggen, nu: daar zijn er;
alleen in deftigen stijl, doch zeer zelden wordt deze
spreekwijze gebezigd.
340. Worden onderscheidene personen voor een
zegwoord geplaatst, dan geldt de eerste persoon bo-
ven den tweeden, en deze wederom boven den der-
den. Bij de vereeniging van den eersten en tweeden,
of ook van den eersten , tweeden en derden, wordt
meestal het meervoud van den eersten voor het zeg-
woord gesteld, als: ik en gij {wij) weten dit niet.
Dit wij wordt ook wel eens vooraan geplaatst, als:
wij, mijn vriend en ik, zijn bereid dit te doen. Ko-
men de tweede en derde persoon bijeen, zoo staat