Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
72
337. Het gebruik van wiens of wier, in plaats van
welks voor den tweeden naamval van het onzijdig
geslacht is af te keuren, tenzij het naamwoord,
waarop het betrekking heeft, bepaald een mannelij-
ken of vrouwelijken persoon aanduidt, als: het ge-
sticht, welks grondvesten nog in goeden staat zijn.
338. Wat er bij de vragende voornaamwoorden is
aangemerkt, dat namelijk in de verbogene naamval-
len , wanneer van zaken gesproken wordt, waar ge
bruikt kan worden , geldt insgelijks omtrent de be-
trekkelijke, als: de pen, waarmede ik schrijf, de grond,
waarop wij staan, enz.
33y. In de gebiedende wijs der zegwoorden duldt
de Nederlandsche taal geen betrekkelijk voorn.w.
vóór, maar wel een aanwijzend achter zich, als:
hier is eeno pen, neem die, en niet neem welke.
De zegwoorden.
Over de personen.
340. Het is strijdig met den aard onzer taal, het
persoonlijk voorn.w. weg te laten , ah: hebbe den meen
ontvangen, In de gebiedende wijze, waar de aange-
sproken of tweede persoon reeds genoeg bepaald is,
wordt het voorn.woord weggelaten; nadrukshalve
dient het behouden te blijven, als: zoekt en gij zult
vinden,
341. Wanneer Iwee of meer zegwoorden tot den-
zelfden persoon behooren, wordt deze slechts eens
genoemd , als: hij leest, schrijft en rekent vrij wel.
In eene reden, waar het zegwoord het persoonlijk
voorn.AV. voorafgaat, moet dit laatste hernaald wor-
den , als: handelt gij echter tegen mijne waarschu-
wing , en stort gij u zeiven in het ongeluk, zoo moet
gij op mijne hulp niet rekenen.
342. Wanneer een naamwoord eii een zegwoord
eene zaak in haar geheel voorstellen, dan behoeft
bij hare nadere beschrijving, noch het naamwoord,
Tioch het zegwoord herhaald te''worden, als; beide
scholieren mvnten elk in een bijzonder vak uit, dc