Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
09
bezigd, als; de uwen zijn mij hehulpzaam geweest,
zie verder § 305.
321. De bezittelijke voornaamwoorden hebbeii be
trekking op het geslacht van deii persoon zelven en
niet .op het woord, waarmede de persoon aangeduid
wordt, als; uwe Hoogheid heeft de grenzen van zijn
gebied verder uitgebreid.
322. Wanneer een enkel bezittelijk voornaamwoord
op twee of meer met en verbonden zelfst. n.w. be
trekking heeft, dan moet men hiermede handelen
gelijk aangetoond is bij de lidwoorden en bijvoege-
lijke naamwoorden § 296 en § 306.
323. De bezittelijke voornaamwoorden van den der-
den persoon, zi/n, haar en hun kunnen als betrek
kelijk aangemerkt worden, omdat zij oji den hande-
lenden persoon terugslaan. Men kan ligt door hel
gebruiken van die woorden tot dubbelzinnigheid ver-
vallen , wanneer twee zelfst. nw. in eene rede voor-
komen, maar dan maakt men gebruik van de woordjes:
daarvan, hiervan, enz. Pieter meldt zijnen vriend,
dat hij diens huis verkocht heeft; — dat is een
fraai kasteel, wie is de bezitter daarvan'^
324. Achter de zegwoorden zijn, blijven, worden ,
schijnen en heeten worden de bezittelijke voornaam-
woorden even als de bijvoegelijke naamwoorden on-
verbogen gebruikt, als: de bezitting is mijn; ook
wel vooraan , uw is het rijk.
325. Wat de vragende voornaamwoorden aangaat,
hierbij dient opgemerkt te worden dat in denzelfden
naamval moet geantwoord worden, waarin gevraagd
wordt: toie heeft dit geschreven? mijn broeder;
wien behoort dit boek! mij.
326. Met betrekking van zaken wordt dikwijls in
plaats van de vragende voornaamwoorden , waar ge-
bezigd, als: waarover hebt gij verschilf Buiten den
stijl der dichtkunst behoort men, wanneer personen
bedoeld worden, zich van de voornaamwoorden te
bedienen : van wien spreekt gij ?
327. Dc aanwijzende voornaamwoorden worden zoo-