Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
68
Majesteit gaj te kennen , (Int hij cerlungde. Het meisje
liet het kind vallen, dat zij op haren arm droeg. De
Min {Cupido) lachte, toen hij mij zijnen pijl in het
hart geschoten had. De woorden zei ven behouden
altijd het hun eigen geslacht, als: de pijlen der Min,
niet van den Min, de wagen van de zon, niet van
den zon, ofschoon men de .so«, naar de fabelleer, als
een god voorgesteld, zegt, dat hij zijnen wagen ment.
Het woordje zich hebben wij behandeld in § 187
'317. Wanneer het voornaamw. van den derden
persoon, niet tot den persoon, die het hoofdonder-
werp der rede is, maar tot eenig ander voorafgaand
persoon betrekkelijk is, zoo moet het om de duide-
lijkheid met het voornaamwoord deze, dit verwisseld
worden, bijv.: de veldheer was gewond in den slag,
en toen hij door den heelmeester zou verbonden wor-
den , kreeg deze eenen kogel door het hoofd. Nu is
het duidelijk, dat met deze den heelmeester bedoeld
wordt.
318. Men laat het geslacht en den persoon onbe-
bepaald : men schreeuwt, men hoort, enz. Men moet
hier in aanmerking nemen dat men niet tot m' kan
verkort worden. Niemand, zoowel als de woorden
niets, nergens, nooit, en anders, neemt dan en niet
als achter zich.
De bijvoegelijke voornaamwoorden.
319. Alle bijvoegelijke voornaamwoorden schikken
zich over het algemeen, even als de bijvoegelijke
naamwoorden, naar het zelfstandig naamwoord, dat
zij bij zich hebben in geslacht, getal en naamval
en gaan vooraf. Staan ze echter in betrekking tot
een voorafgaand zelfst. n.w., dan volgen zij dit wel
in geslacht en getal, maar ten aanzien van den naam-
val hangen zij van het zegwoord af, waarmede zij
verbonden zijn, als: vliedt den toorn, want die be-
rokkent u den dood.
320. Wanneer de bijvoegelijke naamwoorden op
zich zelve staan, dan worden zij als zelfstandig ge-