Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
()5
dat; bijv.: «Ä heb een huis gehuurd, daar staat het.
Om de welluidendheid te bevorderen wordt hetlidw.
in den 4" naamval zonder verbuiging geschreven,
bijv.: hij heeft mij een langen brief geschreven.
De zelfstandige naamwoorden en hunne
verbinding onderling.
300. Worden twee of meer zelfst. n,w, \erbonden ,
dan staan ze of in eene gelijke of ongelijke betrek-
king. Als twee of meer zellst. n.w, dezelfde zaak
uitdrukken, of het eene ter verklaring en nadere be-
paling van het andere dient, dan staan ze in eene
gelijke betrekking, bijv.: Prins Frederik, — de Rui-
ter, de grootste zeeheld zijner eeuw. Ook in dergelijke
uitdrukkingen, als: ouders, vrienden, betrekkingen,
van iedereen verlaten, zwierf hij rond.
301. Worden twee of meer zelfst. n.w. verbonden
door voorzetsels, door verbuiging of zonder verande-
ring van het laatste woord, dan staan ze in eene
ongelijke betrekking, als: vrees voor verdriet^ de hui-
zen des vaders, een paar ossen. Drukken twee zelfst.
n.w. beide één denkbeeld uit, dan voegt men ach-
ter het laatste de s der \erbuiging, als: Koning
Willems regerifig.
302. Hebl )en twee of meer zelfst. n.w. den zelfden
uitgang, dan kan men met weglating dier uitgang
van het eerste naamwoord voor de overige een dwars-
streepje bezigen, bijv.: goed- en afkeuringen.
De bijvoegelijke naamwoorden en hunne
verbinding met andere woorden.
303. Staan de bijvoegelijke naamwoorden voor de
zelfst. n,w., dan komen zij hiermede in geslacht, ge-
tal en naamval overeen. Bij eigennamen worden ze
dikwerf achteraan geplaatst, ter onderscheiding van
anderen van denzelfden naam; alsdan worden zij
voorafgegaan door het bepalend lidwoord, en behou-
den den verbuigingsvorm der bijv.n.w,, als: Karei de
Groote, van Karei den Grooten.
304. Als de bijvoeg, n.w. zonder lidwoorden ach-