Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
64
bruiken, is het niet genoeg dat uien de woorden
kent, maar het is noodig te weten, op wat wijze
men de woorden moet verbinden, in welke orde men
ze behoort te schikken en hoe ze tot volzinnen te
vereenigen; — dat leert ons de woordvoeging.
295. Men kan alzoo de woordvoeging in drie af-
deelingeii verdeelen, als:
1«. de verbinding van enkele woorden;
2". de volgorde der woorden in eene rede, en
•3°. de zameiistelling van volzinnen.
1. Over de verbinding van enkele woorden.
De lidwoorden en hunne verbinding met
zelfstandige naamwoorden.
296. De lidwoorden staan voor de zelfst. n.w. en bijv.
n.w. en komen met de eerste in geslacht, getal en
naamval overeen, als: hij slaat den kwaadaardigen
hond.
297. Worden meerdere zelfst. n.w. bij elkander
gevoegd, en is het lidwoord voor alle hetzelfde,
dan is het onnoodig het bepalend lidwoord te her-
halen; bijv.: de rijkdom, eer en moed zijn drie fraaije
zaken; doch wanneer op elkander volgende zelfst.
n.w. van verschillend geslacht of getal zijn, dan is
de herhaling noodzakelijk; als: voor den staat en
het welzijn des vaderlands. Men mag soms ter lie-
vordering der sierlijkheid dit lidwoord weglaten en
plaatst dit dan in het meervoud. In een onbepaal-
den zin sprekende worden de lidwoorden weggela-
ten; geef mij wijn, en bij eigennamen, wanneer deze
niet door een ander woord omschreven worden.
296. In tegenstellingen worden de lidwoorden veel-
al lierhaald ; de rijke en de arme, de koning en de
bedelaar, alle moeten eens sterven. Het onbepalend
lidwoord wordt in de meeste gevallen herhaald.
299. Achter de lidwoorden volgt een zelfst. n.w.;
alleen het onzijdig maakt eene uitzondering, maar
dan komt het bepalend lidwoord in de plaats van