Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
62
2®. de woorden uitgaande op keid, lei en stein,
als: gehoorzaamheid, allerlei, Batenstein.
3e. in woorden, waarin eg of ege zaïnengetrokken
zijn tot ei-, als: dweil, dtcegel; peil, pegel.
280. De ij wordt gebezigd:
1«. in ongelijkvloeijende zegwoorden, waarin de ij
voorkomt. Deze nemen in den eersten betrekkelijk
verleden tijd en het verleden deelwoord eene e /
schrijven, schreven, geschreven.
2=. in zegwoorden, die van een ander woord afge-
leid zijn, waarin men de ij vindt; bijv.: bedijken,
van dijk, bevrijden van vrij.
3". in woorden welke op ij uitgaan en die eenen
staat, eene werking of eene waardigheid aanduiden;
als: heerschappij, abdij, tapperij.
287. Indien een woord op eene «eindigt, welke in
het meervoud niet verdubbeld wordt, dan gaat die
s in eene z over, als er eene lettergreep op volgt,
die met eene klinkletter begint; bijv.: huis, huizen;
muis, muizen. Huisselijk en kousen maken hierop
eene uitzondering.
288. Eindigt een woord op eene ƒ, dan wordt deze
ƒ meestal in het meervoud in eene v veranderd,
wolf, wolven; turf, turven; ik durf, wij durven,
enz.; uitzonderingen, grafelijkheid, begrafenis.
289. Indien een woord op één medeklinker ein-
digt, voorafgegaan van een korten klank, dan wordt
deze medeklinker meestal verdubbeld; bijv.; pot, pot-
ten; kat, katten; mes, messen. Echter bevat deze
regel verscheidene uitzonderingen; God, ^oden;graf,
graven.
290. De zelfstandige naamwoorden, die in het
meervoud eene d vorderen, moeten in het enkel-
voud ook eene d hebben; bijv.: hond, omdat men
in het meervoud zegt honden-, vereischt het meervoud
eene * dan moet ook het enkelvoud eene t hebben;
bijv.: grot, grotten.
291. Als een woord eindigt op heid, dan moet,
wanneer men heid van het woord afneemt het over-