Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
54
de zegwoorden ook vragend , ontkennend, envragend-
ontkennend vervoegd Avorden. Spreekt men vragend,
dan worden de voornaamwoorden achter het zeg-
woord geplaatst, en wanneer het in zamengestelde
tijden plaats heeft, volgt het verleden deelwoord of
de onbepaalde wijs het voornaamwoord; bijv.: leer
ik ? hebben wij gespeeld ? zal ik werken ?
2.'5.3. De volgende woorden drukken eene ontken-
ning uit, als: niet, niets, niemand, geen, nooit,
enz. en worden achter het zegwoord geplaatst: i'A/eef
niet, ik zal niemand hooren; het verleden deelwoord
en de onijepaalde wijs volgen op de ontkenning.
234. Is de zin vragend-ontkcnnend dan handelt
men als of hij ontkennend was, men plaatst het
voorna;imwoord achter het zegwoord en laat alsdan
de ontkenning volgen. Het verleden deelwoord en
de onbepaalde wijs volgen de ontkenning; bijv.:
had ik niet? zal ik niet gespeeld hebben?
Ci. Over de deelwoorden.
235. Deelwoorden zijn eigenlijk van de zegwoorden
afgeleide bijvoegelijke naamwoorden , en worden zoo
genoemd omdat zij als aan twee soorten van woor.
den deel hebben. Zij behooren ook niet tot de on-
bepaalde wijs der zegwoorden gerangschikt te worden.
236. Men onderscheidt de deelwoorden in tegen-
woordige en verledene; het tegenwoordig deelwoord
wordt ook wel bedrijvend, en het verleden deelwoord
lijdend genoemd, maar deze benaming is minder
juist, daar het laatste zoowel een bedrijvenden als
lijdenden zin heeft, veroorzaakt door het hulpwoord
dat er bij gebezigd wordt.
237. Het woordje al voor een tegenwoordig deel-
woord geplaatst, brengt eene groote verandering in
de uitdrukking te weeg; bijv.: ik zag hem al spe-
lende, zoude zeggen willen, dat ik den bedoelden
persoon zag, toen ik speelde; — ik zag hem spelen-
de, zou uitdrukken, dat de gezegde persoon speelde,
toen ik hem zag.