Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
53
Volstrekt verleden t ij d :
ik heb mij geschaamd, ik hebbe mij geschaamd,
enz. enz.
Tweede betrekkelijk verleden tijd:
ik had mij geschaamd , ik hadde mij geschaamd,
enz. enz.
Toekomende tijd:
ik zal mij schamen, enz. ik zoude mij schamen, enz.
Betrekkelijk toekomende tijd:
ik zal mij geschaamd heb- ik zoude mij geschaamd
ben, enz. hebben, enz.
Gebiedende wijs:
Enkelvoud: schaam u. Meervoud : schaamt u.
Vervoeging van het zegwoord sneeuwen.
Onbepaalde wijs: Deelwoorden:
tegenw. tijd: sneeuwen; tegenw.: sneeuwende;
verl. tijd: gesneeuwd hebben; verl : gesneeuwd,
toek. tijd: zullen sneeuwen.
Aantoonende wijs: Aanvoegende wijs:
Tegenwoordige tijd:
het sneeuwt. het sneeuwe.
Eerste betrekkelijk verleden tijd:
het sneeuwde. het sneeuwde.
Volstrekt verleden tijd:
het heeft gesneeuwd. het hebbe gesneeuwd.
Tweede betrekkei ij k verleden tijd:
het had gesneeuwd. het hadde gesneeuwd.
Toekom en de tijd:
het zal sneeuwen. het zoude sneeuwen,]
Betrekkei ij k toekomende tijd:
het zal gesneeuwd hebben, hetzoudegesneeuwd hebben,
de gebiedende wijs ontbreekt,
232. Behalve bovengegevene voorbeelden kunnen