Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
46
soms met verlenging van den laatsten medeklinker;
ik leere, ik straffe; de tweede persoon van den eer-
sten met achtervoeging viin t; gij leeret, gij straffet;
de derde persoon is gelijk aan den eersten; hij leere,
hij straffe. Meervoud: de eerste persoon isgelijkaan
het zegwoord; ivij leeren, wij strafften; de tweede
gelijk aan den tweeden van het enkelvoud; gij lee-
ret, gij straffet; de derde gelijk aan den eersten van
het meervoud; zij leeren, zij straffen.
De eerste betrekkelijk verleden tijd, hij de gelijk-
vloeijende zegwoorden , gelijk aan denzelfden tijd der
aantoonende wijs, ik antwoordde, ik strafte. Bij de
ongelijkvloeijende zegAVoorden wordt achter den eer-
sten en derden persoon van het enkelvoud eene e
gevoegd, en van den tweeden persoon enkel- en
meervoud de t op het einde in e^ veranderd; ikzon-
ge, gij zonget, hij zonge, wij zongen, gij zonget,
zij zongen.
De overige tijden dezer wijs worden even als die
der aantoonende wijs gevormd, maar het spreekt van
zelf dat men de aanvoegende wijs moet gebruiken,
wanneer het vereischt wordt.
226. Gebiedende wijs. Deze wijs wordt alleen ge
brui kt in den tweeden persoon enkel- en meervoud.
Het enkelvoud is gelijk aan den wortel van het
zegwoord: leer] het meervoud door achtervoeging
van t bij het enkelvoud: leert. Gaat de wortel van
het zegwoord op t uit, dan is het meervoud gelijk
aan het enkelvoud, zet, enkelvoud; zet, meervoud.
227. Sommige onzijdige zegwoorden worden met
zijn, sommige met hebben vervoegd. Zij worden met
zijn vervoegd, als zij meer een lijden dan een be-
drijf aanduiden; als: blijven, vallen, aanbreken, ster-
ven, gelukken, enz. Zij worden met ÄeÄÄcTi vervoegd ,
als zij meer een bedrijf dan een lijden te kennen ge-
ven , als : spotten, vechten, arbeiden, blaffen, enz.
Echter zijn deze regels aan uitzonderingen onderhevig.
228. Sommige onzijdige zegwoorden, die eene be-
weging, en dus meer een bedrijf dan een lijden aan-