Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
eersten van het meer-
voud : zij heren.
Eerste betrekkelijk verleden tijd:
De eerste persoon enkelvoud, bij dc gelijkvloeijen-
de zegwoorden van den wortel met achtervoeging
van de of te; ik leerde, ik strafte, de tweede van
den eersten met achtervoeging van t; gij leerdct ,gij
straftet, de derde is gelijk aan den eersten ; hij leerde,
hij strafte-, de eerste persoon meervoud, aan den
eersten enkelvoud met achtervoeging van n, wij leer-
den t tvij straften, de tweede is gelijk aan den twee-
den van het enkelvoud, gij leerdet, gij straf tet, de
derde aan den eersten van het meervoud; zij leer-
den ^ zij straften. Bij ongelijkvloeijende zegwoorden
de eerste persoon enkelvoud van den wortel des
zegwóords door verandering van wortelklinker: ik
liep; de tweede van den eersten met achtervoeging
van t: gij liept; de derde is gelijk aan den eersten:
hij liep; de eerste persoon van het meervoud wordt
gemaakt van den eersten des enkelvouds, met bijvoe-
ging van en: wij liepen; de tweede is gelijk aan
den tweeden van het enkelvoud : gij liept-, de derde
is gelijk aan den eersten van het meervoud : 21J
De volstrekt verleden tijd wordt gevormd van den
tegenwoordigen van het hulpwoord hebben of zijn
met het verleden deelw.: ik heb geleerd, geslagen.
De ttaeede betrekkelijk verleden tijd wordt gemaakt
van den eersten betrekkelijk verledenen tijd van het
hulpwoord hebben of zijn, met het verleden deel-
woord : zij hadden geleerd, geslagen.
De toekomende tijd wordt gemaakt van het hulp-
woord zullen en den tegenwoordigen tijd der onbe-
paalde wijs des zegwoords : ik zalleeren, ontmoeten.
De betrekkelijk toekomende tijd wordt gevormd van
het hulpwoord zullen met den verleden tijd van de
onbepaa 1de wijs des zegwoords: ik zal geleerd hebben.
225. Aanvoegende wijs: de tegenwoordige tijd dé
eetste persoon enkelvoud wordt gemaakt van den
wortel des zegwoords, door achtervoeging vnn e,