Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
223. ïcu aanzien der vervoeging moet men op de
volgende regelen letten:
Onbepaalde wijs: de tegenwoordige tijd is gelijk
aan het zegwoord; leeren, doen, schrijven.
De verleden tijd wordt gemaakt van het verleden
deelwoord met het hulpwoord hebben of zijn-, ge-
leerd hebben, gedaan hebben, geschreven hebben.
De toekomende tijd wordt gemaakt van het zeg-
woord, met het hulpwoord zullen; zullen leeren,
zullen doen, zullen schrijven.
Deelwoorden: het tegenwoordig deelwoord wordt
gemaakt van het zegwoord, door achtervoeging van
de; loerende, doende, schrijvende.
Het verleden deelwoord wordt gemaakt, bij de ge-
lijkvloeijende zegwoorden, van het zakelijk deel eens
zegwoords, door voorvoeging van ge (ais het geen
voorzetsels voor zich heeft), en met achtervoeging
van d oi t-, d als de eerste betrekkelijk verleden tijd
met de\ t als die tijd met te gevormd wordt, bijv.:
geleerd, gestraft.
Bij de ongelijkvlocijende zegwoorden maakt men
het verleden deelwoord van den tegenwoordigen tijd
der onbepaalde wijs, met of zonder verandering van
wortelklinker, terwijl ge, al of niet wordt voorge-
voegd; gegeten, bevolen.
224. Aantoonende wijs: de tegenwoordige tijd wordt
gevormd: Enkelvoud: de 1«. persoon van den wor-
tel: ik leer.
de 2®. persoon van den eer-
sten met achtervoeging
van t: gij leert.
de 3«. persoon is gelijk aan
den tweeden : hij leert.
Meervoud: de 1». persoon gelijk aan het
zegwoord: wij leeren.
de 2". persoon gelijk aan den
tweeden van het enkel-
voud: gij leert.
df 3«. peisoon gelijk »an den