Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
Betrekkelijk toekomende tijd;
ik zal g- ik zoude
gij zoudet
hij zoude
wij zouden |
gij zoudet
gij zult
hij zal
wij zul Ie tl
gij zult
zij zullen
13
CU
o.V E —--
ZIJ zullen ec zij zouden
Gebiedende wijs:
Enkelvoud: zij of wees. Meervoud: zijt of
O
u
bD
zij of wees. Meervoud : i
c) Vervoeging van worden.
Ide wiis: Deelwo
weest.
Onbepaalde wijs: Deelwoorden:
tegenwoordige tijd : worden ; tegenw.: wordende^
verleden tijd: geworden zijnjverl: geworden,
toekomende tijd: zullen worden.
Aantoonende wijs: Aanvoegende wijs:
Tegenwoordigen tijd:
ik word; ik worde;
gij wordt; gij wordet;
hij wordt; hij worde ;
wij worden; wij worden;
gij wordt; gij wordet;
zij worden. zij worden.
Eerste betrekkei ij k verleden tijd:
ik werd; ik werde; Wierde;
gij werdt; gij werdet; wierdet;
hij werd; hij werde; ol wierde;
wij werden; wij werden; wierden;
gij werdt; gij werdet;
zij werden. zij werden.
Volstrekt verleden tijd:
ik ben . ik zij
1 <u
/"P
wieruen;
wierdet;
wierden.
gij zijt
hij is
wij zijn
gij "jt
zij zijn
gij zijt
hij
wij zijn
gij zijt
zij zijn
fi
oj
TS
I
J tic