Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
39
210, De toekomende tijd is de naam van die vor-
men der zegAVOorden, waarmee iets wordt voorgesteld
in eenen tijd, Avelke nog niet is; ik zal eene toan-
deling doen,
220. De betrekkelijk toekomende tijd is de naam
van die vormen der zegwoorden, waarmee iets wordt
voorgesteld als reeds geschied in eenen tijd, welke
nog komen moet, als r mijn oom zal ons verlaten
hebben , loanneer tito neef zal aankomen.
221. 3Ien moet bij de zegwoorden letten op de
getallen, (het enkel- en meervoud) en op de personen.
Men verstaat door personen de onderwerpen. Deze
onderwerpen worden of door persoonlijke voorn.w.
of door zelfstandige naamw. uitgedrukt.
222. Vervoeging der hulpwoorden: hebben, zijn,
worden en zullen.
a) Vervoeging van hebben.
Onliepaalde wijs: Deelwoorden:
tcgenw. tijd: hebben; tegenw.:hebbende;
verleden tijd: gehad hebben; verleden: gehad,
toekomende tijd: zullen liebben.
A a n t O O n e n d e w ij s : Aanvoegende w ij s :
Tegenwoordige tijd.
ik heb; ik hebbe;
gij hebt; gij hebbet;
hij heeft; hij hebbe;
wij hebben; wij hebben;
gij hebt; gij hebbet;
zij hcbl)en. zij hebben.
Eerste betrekkelijk verleden tijd:
ik had; ik hadde;
gij hadt; gij haddet;
hij had; hij hadde;
wij hadden; wij hadden;
gij hadt; gij haddet;
7.ij liadden. zq hadden.