Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
3(i
eeiiige voorafgaande woorden: ik leer, ik zal komen,
ik werkte, ik had gewerkt; (aantoonende wijs.)
3. wenschend, twijfelend ^ als: dat ik leere, gave
God! dat hij gelukkig ware; (aanvoegende wijs.)
4. gebiedend^ vermanend of verzoekend; tveesmoe-
dig! leert vlijtig; (gebiedende wijs.)
212. Bij bet vervoegen kan men in de aanvoegende
wijs het woordje dat gerust weglaten; dat woord is
geen noodwendig bestanddeel van die wijs.
213. Onze voorstelling van iets te zeggen, omvat
het tegenwoordige, verlede^ie o^n toekomende; vandaar
drie tijden van dien naam. Behalve deze drie, zijn
er nog drie andere, welke met de eerstgenoemde in
verband staan, als: de eerste betrekkelijk verleden
tijd, de tioeede betrekkelijk verleden tijd en de be-
trekkelijk toekomende tijd.
214. De tijden volgen op elkander, alzoo:
de tegenwoordige tijd,
de eerste betrekkelijk verleden tijd,
de volstrekt verleden tijd,
de tweede betrekkelijk verleden tijd,
de toekomende tijd,
de betrekkelijk toekomende tijd.
215. De tegenwoordige tijd is de naam van die
vormen der zegwoorden, waarmee iets wordt voor-
gesteld als op het oogenblik dat men spreekt, wer-
kelijk plaats hebbende; wij spelen.
210. De eerste betrekkelijk verleden tijd is de naam
van die vormen der zegwoorden, waarmee iets wordt
voorgesteld, als tegenwoordig in eenen tijd, die voor-
bij is, zij leerden.
217. De volstrekt verleden tijd is de naam van die
vormen der zegwoorden, waarmee iets wordt voor-
gesteld, als geheel geëindigd op den tijd, waarin
men spreekt, als: ik heb bemind.
218. De tweede betrekkelijk v e rieden tij d \s de wasim
van die vormen der zegwoorden, waarmee iets wordt
voorgesteld , als geheel geëindigd in eenen verleden tijd:
ik had reeds gewandeld, toen zij mij kwamen bezoeken.