Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
187. Het wederkeerig woordje zich wordt gebruikt
in de plaats van alle andere pers. voorn.w. van den
derden pers., wanneer deze het voorwerp, of de be-
paling uitmaken bij een onderwerp, waarvan de
werking tot den werker terugkeert. In de verbui-
ging ondergaat het geene verandering.
188. Men moet zich bezigen, wanneer de werking
wederkeert tot hem of haar, die ze verrigt en hem,
hun, haar o{ het, wanneer de werking overgaat tot
een ander. Hij heeft zich geschoren is niet hetzelfde
als: hij heeft hem geschoren; men moet bij het ge-
bruik van dat woordje zorgvuldig oppassen.
5. Over de zegwoorden.
189. Zegwoorden dienen om iets van een voor-
werp te zeggen, bijv.: de boom groeit; het water
vloeit; men noemt ze ook wel werkwoorden , maar
ten onregte, want een werkwoord beteekent niet
altijd een werking; hip\ rusten, vallen, hangen, ster-
ven, blijven, wordenenz. Indien een werkwoord
den waren aard uitdrukte van eene werking, dan zou
ieder werkwoord eene werking moeten beteekenen , en
dat doet het niet.
190. De bennming zegtvoord drukt den waren aard
van het woord, in onderscheiding van naamiDoord
(zelfstandig of bijvoegelijk) geheel en juist volkomen
uit. Het is geen woord om een voorwerp te noe-
men, zoo als het zelfst.nw. huis, water; noch ook
om een woord diis of zoo te noemen , zoo als het
bijv.nw. bijv.: groote deur, kleine meid; maar om
van een voorwerp iets te zeggen; de jongen leert.
191. Men heeft bij de zegwoorden tweederlei wij-
zen van uitdrukking; de bedrijvende en de lijdende,
en daarom bedrijvende en lijdende zegwoorden.
192. Daar menig zegwoord geen lijdenden vorm
aanneemt, én ook geen werking of bedrijf schijnt
'te beteekenen, zoo noemt men zulk woot^ onzijdig ^
overeenstemmende met geen van beide. - .}
3