Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
••32
181. Van de aanwijzende vooriiw., die met de
lidwoorden de of het of het voorn.w. die zamenge-
steld zijn, wordt het eerste deel als de lidw. en het
laatste als de hijv. n.w. verhogen , als :
En kelvoud.
M a n n e 1 ij k :
1. dezelfde;
2. deszelfden;
3. denzelfden;
4. denzelfden.
1. dezelfde;
2. derzelfde;
3. denzelfden;
4. dezelfde.
V r O u w e 1 ij k :
dezelfde;
derzelfde;
derzelfde;
dezelfde.
Meervoud :
dezelfde;
derzelfde;
derzelfde;
dezelfde.
Onzijdig;
hetzelfde;
deszelfden;
hetzelfde;
hetzelfde.
dezelfde;
derzelfde;
denzelfden;
dezelfde.
182. Nemen de aanwijzende voornaamwoorden het
woordje een achter zich, dan wordt alleen dit
woordje, en niet het voornaamwoord verbogen; als:
zoodanig een , zoodanig eenen.
183. Betrekkelijke voorn.w. verbinden een tusschen-
zin met het woord waarvoor zij in de plaats staan ,
en wijzen dus op reeds genoemde personen of zaken;
zij zijn: die, wie, welRe , dat, wat, en hetwelk.
184. De verbuiging van loie en welke, is als die
der vragende voornaam.w. wie en welke-, dewelke
wordt even zoo verl)ogen, met dit onderscheid, dat
de tweede naamval geene maar en neemt. Het
voorn.w. die wordt in den l"» en 4" naamval ge-
bruikt, doch voor den 2" of 3" naamval, gebruikt
men liever icelke of wie.
185. Tot deze soort van voornaamwoorden brengt
men ook: waarmede, waarvan, waardoor, waaraan,
waarin, daarvan; enz.
18S. De betrekkelijke voornaamwoorden hebben al-
tijd hetzelfde geslacht en getal als die zelfst. n.w.,
waarop zij betrekking hebben, doch hun naamval
hangt daarvan niet af, maar van imnne eigene be-
trekïéing van den tusschenzin.