Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Eerste persoon.
Enkelvoud. Meervoud.
Mannelijk en Vrouwelijk: Mannelijk en Vrouwelijk:
1. ik; wij;
2. mijner; onzer;
3. mij; ons;
ons.
Tweede persoon.
gij;
uwer;
u;
u.
4. mij.
1- gij;
2. uwer;
3. u;
4. u.
Mannelijk :
1. hij;
2. zijner;
3. hem;
4. hem.
163. De
Derde persoon.
Vrouwelijk: Mannelijk:
Vrouwelijk:
zij; zij; i-'ij;
harer; hunner; harer;
haar; hun ; haar;
haar. hen (ze.) haar (ze.)
persoonlijke voorn.w. volgen niet altijd
het geslacht des woords, waarvoor zij in de plaats
staan , maar somtijds ook het geslacht des voorwerps;
J)ijv.: het meisje weet niet wat zij doet; het ventje
meent, dat hij gelijk heeft.
164. Verbuiging met het woord zelf:
Eerste persoon.
Meervoud.
Vrouwelijk:
ik zelve;
mijner zelve;
mij zelve;
mij zelve.
Tweede persoon.
gij zelf; gij zelve; gij zelven;
uwer zelven ; uwer zelve; uwer zelven ;
u zelven; u zelve; u zelven;
II zelven. u zelve. u zelven.
Enkelvoud.
Mannelijk:
ik zelf;
mijner zelven;
mij zelven;
mij zelven.
Mannel. en Vrouwl.'
wij zelven;
onzer zelven;
ons zelven;
ons zelven.