Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
31
4. Over de voornaamwoorden.
155. De voornaamwoorden zijn woorden, die men
in de plaats der z.n.w. zet, om de gedurige herha-
ling daarvan te vermijden. •
15f). Zij worden verdeeld \\\ persoonlijke, [zelfstan-
dige) , en bijvoegelijke voornaamiooorden. Zij onder-
gaan meest alle eenige veranderingen door verbuiging.
a. Over de persoonlijke voornaamivoorden.
157. De [ ersoonlijke voornaamwoorden staan in
de plaats van personen of zaken. Men onderscheidt
in de taal drie personen: de eerste persoon, die
spreekt, heet ik, in het meervoud icij\ de tweede,
tot wien nien spreekt, heet in het enkel- en meer-
voud gij; en de derde persoon, van wien gesproken
wordt, is, of Ay, zij, het, men, iemand q.i\ niemayid.
158. Bij de twee eerste personen maakt men geen
meldiTig van het geslacht, omdat dit altijd kenbaar
is. Men is alleen in gebruik in den naamval,
en wordt dus niet verbogen. Iemand en niemand
nemen in den 2". naamval eene s aan; deze drie
laatsten hebben geen meervoud.
159. In plaats van mij, gij, zij, en wij gebruikt
men ook wel v\e, ge. ze ^ en we, omdat ze wegens
hunne zoetvloeijendheid de welluidendheid bevorderen.
Achter de persoonlijke voorn.w. worden tot verster-
king de woorden zelf, zelve, zeiven ^tsoe^d , behalve
achter het en men.
160. In de verbuiging dezer voorn w. schikt zicli
het woord zelf dus in geslacht, getal en naamval
naar die voorn.w., waarbij het voorkomt, alsmede
naar de zelfst.n.w., achter welke het somtijds ge-
plaatst wordt, als: de vader heeft het ^e//" gezegd; —
ik hel) het zijnen zoon zelvefi gegeven.
161. Het woordje alleen blijft onveranderd; wij
zijn er alleen geweest.
162. Verbuiging der persoonlijke voorii.w.: