Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
2.5
der beteekenis van bijv.n.w. (alsmede van vele deel-
woorden en bijwoorden) uit te drukken.
136. Deze trappen van vergelijking zijn twee in
getal; de vergrootende en de overtreffende,
137. De vergrootende trap bepaalt de grootheid
der hoedanigheid, welke een bijv.n.w. aan iets toe-
kent, en wordt gemaakt door de bijvoeging van er;
groot, grooter,
138. De overtreffende trap verheft de hoedanigheid
eener zaak boven al de overige van hare soort, en
wordt gevormd door de bijvoeging van s^y allergrootst.
13Ü. Somwijlen wordt de vergrootende trap niet
door verandering van uitgang, maar door bijvoeging
van het woord meer vóór het bijv.n.w. gevormd;
alsdan neemt de overtreffende trap meest: Hij was
meer gevreesd dan bemind; maar zij werd het meest
geacht,
140. Om den overtrefienden trap nog meer te ver-
sterken, plaatst men het woord a//er voor het bijv.n.w.;
bijv.: de allergrootste onzer deugden.
141. Sommige bijv.n.w. dulden geene vergrooting,
als: heendroo^, sneeuwwit, ijskoud, vierkant, zon-
neklaar,
142. De volgende Injv.n.w. hebben eene onregel-
matige vergrooting , als: goed,beter, best; —kwaad,
erger, ergst; — veel, meer, mee^t-^ — weinig, min-
der, minst.
143. Indien de bijv.n.w. reeds op eene r eindigen,
dan wordt de vergrootende trap door l)ijvoeging van
der gevormd, als: zwaar, zwaarder.
144. Indien de bijv.n.w. op eene s uitgaan, dan
wordt er, als zij onverbogen blijven, bij den over-
treffenden trap eene enkele t gevoegd: wijs^ wijst-,
doch worden die bijv.n.w. in den overtrefienden trap
verbogen, dan moet de bijvoeging volgens den ge-
wonen regel plaats hebben: toijs, de wijsste.
145. Men onderscheidt de bijv.n.w. in oorspronke-
lijke, als: wit, groot, klein en, in afgeleide of za-
mengestelde , als : deugdzaam , ouderloos.