Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
s, inaai' indien zij op s, sc/i, of" st eindigen, nemen
zij het eerste achtervoegsel aan. Men zegge dus in
den 2". naamval des messen, des heeren en r.iet des
hceres, des messes. Hiervan moei men uitzonderen
de verkleinde z. n. w., bijv,: meisje, des meisjes.
122. Sonnnige z.n.w. eindigen op eene s en ne-
men geene achtervoeging aan, zoo als glas, >
enz., evenzoo met woorden die op aris uitgaan,
drommedaris, notaris, kommissaris, enz,
123. De eigennamen nemen altijd eene s aan, maar
indien zij op eene s-uitgaan , verdubbelt men die niet,
zoo als: Jakobus hoed , maar wel Hendriks pen.
124. De z.n.w. van het mannelijk geshicht on-
dergaan in den 3". naamval in het enkelvoud eene
kleine verandering, men voegt er namelijk eene e
aelitcr, bijv.: den heere.
125. De z.n.w, veranderen in den 4" naamval niet.
2. Over de lidwoordeii,
12f). Lidwoorden stellen eene zaak bepaald ol on-
bepaald voor. Zij worden verdeeld in bepalende en
onbepalende, liet bepalende lidwoord is de oïhet,
het onbepalende een.
127. liet bepalend lidwoord is eigenlijk niets an-
ders dan een aanwijzend voornaaniwoord en liet on-
bepalende niets anders dan een telwoord, namelijk
het telwoord een.
123. De lidwoorden schikken zich in geslacht,
getal en naamval naar de z.n.w., bij welke zij be-
hooren.
3. Over de bijvoegelijke naamtüoorden.
129. Bijvoegelijke naamwoorden geven eene hoe-
dain'gheid of eigenschap der personen of' zaken te
kennen: een goede jongen, een braaf meisje, een
deugdzaam man.
130. De bijv. n.w. schikken zich, even als de lid-
woorden, in geslacht, getal en naamval naar de
z.n.AV. I>ij welke zij hebooren , eenen goeden meester.