Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
111. Andere blijven voor beide geslachten onver-
anderd; als: erfgenaam, echtgenoot^ gids, dienst-
bode. "Worden zij voor een man gebruikt dan zijn
ze mannel,, voor eene vrouw vrouwelijk, en daarom
gemeenslachtige genoemd, .
112. Sommige woorden zijn voor beide geslachten
mannelijk, anderen voor beide {»eslachten vrouwelijk.
Tot de eerste behooren: arend, olifant, valk; en
tot de tweede: tnuis, niusch.
113. De woorden kind, paard, konijn, zijn onzijdig.
114. Naamvallen zijn de verschillende betrekkin-
gen waarin een persoon of eene zaak, door het
zelfst.nw. uitgedrukt, voorkomen,
115. Wij hebben in de Nederlandsche taal vier
naamvallen.
116. Een zelfstandig n.Av, staat in den 1». naam-
val, als: aangesproken, Mijnheer!
werkende: de jongen schrijft-,
lijdende: de les wordt geleerd',
zijnde: het licht is nuttig;
wordende: de vrouw tvordt arm.
Ook staan die z.n.w. in den 1". naamval, welke
voor en achter de woorden zijii, schijnen, toorden,
blijven en heeten komen.
117. Een z.n.w. staat in den naamval, als de
bezitter of bezitting aanduidende: Willems hoed,
Mariaas Vader.
118. Een z.n.w. staat in den 3". naamval ais aan
iets toegeschikt of ontnomen wordt; wij gehoorza-
men den meester.
119. Een z.n.w. staat in den 4". naamval als het
voorwerp, waarop een ander voorwerp overgaat. De
jo7igen leert zijne les. In onze taal beheerschen alle
voorzetsels den 4». naamval. Hij is in de stad, hij
gaat naar buiten; hij loopt door de straat, enz.
120. In den 1". naamval ondergaan de zn. w. geene
verandering.
121. In den 2". naamval krijgen de z.n.w. van
het mannelijk en oïizijdig geslacht eene n of en en