Boekgegevens
Titel: Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Auteur: Maas, J.P. van der
Uitgave: Amsterdam: C.L. Brinkman, 1855
Opmerking: 1. Zinsontleding. 2. Woordgronding. 3. Spelling en uitspraak. 4. Woordvoeging. 5. Zinscheiding
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 94-93
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_204217
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Nederlands, Grammatica's (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Nederlandsche spraakkunst: ingerigt naar de behoefte van onzen tijd
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
een gelieel geslacht of eene geheele soort toepasselijk
zijn, als: paard, held ^ taf el ^ hoek,
93. Zamengestelde zelfst. nw. zijn die, welke uit
twee of meer woorden bestaan, als: hondenhok,
oogenhlik. Zij hebben het geslacht van het laatste
woord.
94. Verkleinde z. nw. stellen een zin verkleind voor.
95. Die verandering geschiedt, indien de z. nw.
op d, ^ ■) f i g ^ i P •> of sch uitgaan door de
achtervoeging van^ey bijv: kindy kindje; mat, viatje.
Indien de z. nw. op b, /, m, of r eindigen,
voorafgegaan door een langen klank, of tweeklan-
ken , geschiedt deze verandering door achtervoeging
van Ije; bijv: baal, baaltje; haan, haantje; haar,
haartje; koe, koetje; enz. Indien de z. nw. op b,
l, m, n, of r eindigende, door een korten klank
worden voorafgegaan, en waarvan in het meervoud
de sluitletter verdubbelt, zoo geschiedt de verande-
ring ook door verlenging der lettergreep, met ach-
tervoeging van tje-, bijv.: tol, tolletje; bel, belletje.
Indien de z. nw. op eene enkele a, e. of o uit-
gaan, dan worden deze klinkers, alvorens den uit-
gang tje er bij tc voegen , verdul)beld; bijv: ra, (van
een schip) raatje; Anna, Annaatje. Indiende z. nw.
op m eindigen, voorafgegaan door een langen klank ,
geschiedt de verkleining door achtervoeging van/ye;
bijv: boom, boompje; kraam, kraampje; enz.
9(). Men behoort bij de zelfst. nw. te letten op
geslacht, getal en naamval,
97. Er zijn drie geslachten: mannelijk, vrouwelijk
en onzijdigj twee getallen: enkelvoud en meervoud;
vier naamvallen : eerste , ftveede, derde, r^'errfe naamval,
98. Elk voorwerp op zich zelf beschouwd , is eene
eenheid, als: tuin, man, en dus enkelvoud.
99. Eene verzameling van gelijksoortige eenheden
vormt een getal, en dan zijn die woorden meervou-
dig, als: tuinen, huizen,
100. liet meervoudige getal wordt gemaakt door
achter het enkelvoud eene s, n, en, ers of eren te